Door Jan Verburg, onderwijsadviseur.

Niet-taakgericht gedrag is voor ons als leerkrachten een flinke uitdaging! Hoe krijg ik ook deze kinderen gemotiveerd of hoe zorg ik ervoor dat andere leerlingen er zo min mogelijk last van hebben? Het klinkt wat vreemd, maar dit uitstelgedrag van kinderen is een slimme strategie om het werken te vermijden. Soms gebeurt dit bewust, maar meestal is dit onbewust. Altijd heeft het te maken met eerdere teleurstellende ervaringen. De leerling heeft het gevoel dat hij geen grip heeft op de taak en is niet bezig met de taak, maar in de eerste plaats met zijn of haar eigen emoties. Wij willen vooral vervelende dingen vermijden.

Emotie

Om deze kinderen te begrijpen, is het belangrijk om te weten dat emotie (‘ik kan niet rekenen’ ‘ik ben dom’ ‘oh, daar heb je die stomme sommen weer’) op dat moment sterker is dan de opdracht om aan het werk te gaan. Je hoort de juf wel praten en je weet ook wel wat je moet gaan doen, maar van binnen klinkt de oproep: pas op, dit kan fout aflopen!

Het is logisch dat wij deze kinderen nog eens op de opdracht wijzen, het nog een keer uitleggen, geïrriteerd raken, ze na schooltijd door laten werken en soms op de klok kijken hoe lang het nog duurt voordat het pauze is... Sommige leerlingen hebben genoeg aan deze aanpak en pakken de draad vervolgens goed op. Maar als niet-taakgericht een patroon is geworden, is het minder gemakkelijk te corrigeren. Overigens moet niet de gedachte ontstaan dat ‘corrigeren’ hetzelfde zou zijn als ‘repareren’. Het repareren van een motor is al ingewikkeld genoeg, laat staan hoe dat zou werken bij kinderen!

Ondersteuning

Kinderen die veel uitstelgedrag vertonen hebben behoefte aan emotionele ondersteuning. Wij moeten niet in de eerste plaats letten op de taak, maar op de beleving van de taak. Het helpt deze leerlingen als ze een leerkracht ontmoeten die begrijpt dat de sommen ingewikkeld zijn, het niet meevalt om door te werken, fouten maken bijzonder vervelend is en plassen een prima pauze-moment is. Ga naast deze leerling zitten en stel vooral vragen. ‘Wat was ook alweer de opdracht? Hoeveel moest je maken? Hoeveel denk je er te gaan maken? Hoeveel heb je er dan goed? Hoeveel tijd heb je nodig? Denk je dat het gaat lukken?’ et cetera.

De meeste kans van slagen heeft deze (responsieve) aanpak als de leerling het besef krijgt dat hij weer grip heeft gekregen op zijn werk en dit ook nog leidt tot positieve(re) resultaten!

Bij leren gaat het tenslotte om meer dan cognitie (hoofd) en wat je doet (handen), maar ook, of juist, om emotie (hart).