Praktijkonderzoek

Dit onderzoek heeft twee doelen: het in kaart brengen van de praktijk van sociaalveiligheidsbeleid en het peilen van behoeften van leerkrachten aan hulpmiddel om de sociale veiligheid te bevorderen.

Respondenten

De groep respondenten voor afname van de diepte-interviews zijn tien leerkrachten uit het (speciaal) basisonderwijs. Hierbij is er een evenwichtige verdeling tussen respondenten die lesgeven in de onderbouw en bovenbouw. Het gaat om personen die in een schriftelijk afgenomen vragenlijst hebben aangegeven mee te willen werken aan dit interview.

Procedure

Met de gevraagde respondenten wordt telefonisch of per mail een afspraak gemaakt voor een gesprek van maximaal zestig minuten. Tijdens dit gesprek wordt het gestructureerde interview afgenomen. Dit interview is opgenomen op audioapparatuur en vervolgens getranscribeerd. Vervolgens is er een codeboom gemaakt per thema, waardoor de terugkerende thema’s met betrekking tot sociale veiligheid konden worden geanalyseerd.

Resultaten

Wat doet de leerkracht door het jaar heen om (sociale) veiligheid vorm te geven in de klas?
Op het niveau van het handelen van de leerkracht kan een onderverdeling gemaakt worden in preventief handelen en curatief handelen. Op preventieniveau geven alle ondervraagde leerkrachten aan dat zij de verantwoordelijkheid van de groep belangrijk vinden in het vormgeven van sociale veiligheid. Een kwart van de ondervraagden richt zich ook daadwerkelijk op preventieve groepsvorming.
 
Methodieken
Verder geeft de helft van de ondervraagden aan een SoVa-methode in te zetten in het kader van sociale veiligheid en pesten. Er zijn verschillende methodieken, namelijk Kanjertraining, Kinderen en hun sociale talenten en Sociaal gedrag elke dag. Er is niet één methodiek die het meest gebruikt wordt. Wel is de Kanjertraining de methodiek die het meest verweven is in het hele schoolbeleid.
Op curatief niveau noemden de leerkrachten veel concrete acties die ze inzetten om het pesten aan te pakken.
 
Communicatie en organisatie
Het merendeel van de ondervraagden geeft aan dat zij het gesprek met de pester, de gepeste, de groep en de ouders als effectief zien. Eén school voegt bij dit gesprek ook de rol van directeur toe. Hoe dat precies gebeurt, is onduidelijk.
Een ander aspect dat leerkrachten zien als effectief middel is goed nadenken over de organisatie van een pauze op het schoolplein. Er worden twee concrete voorbeelden gegeven hoe de school dit vormgeeft, namelijk: nieuwe spellen introduceren en de pauze voorbespreken samen met de leerlingen, zodat zij weten wat ze moeten doen.
Een klein deel van de geïnterviewden ziet de communicatie met ouders als belangrijk. Dat kan op verschillende manieren, namelijk het informeren over pestbeleid via de nieuwsbrief, het gesprek aangaan, een enquête afnemen om de visie op sociale veiligheid te peilen of het organiseren van een ouderavond rondom een sociaal-emotioneel onderwerp.
Ten slotte wordt door een aantal geïnterviewden ZIEN! genoemd als instrument om te meten hoe de socialeveiligheidsbeleving van leerlingen is. De aspecten welbevinden en betrokkenheid zijn belangrijke graadmeters in het signaleren.
De volgende aspecten zijn één keer genoemd in alle interviews. Het zijn volgens de geïnterviewden effectieve elementen in de aanpak: goed pedagogisch klimaat, de inzet van GGGG-model, attitude (pesten serieus nemen), teambrede aanpak, de inzet van een externe begeleider, pestprotocol en extra aandacht voor het thema pesten in de Week tegen Pesten.
 
Schoolniveau
Op schoolniveau blijkt dat de competentie van de leerkracht wordt gezien als meest effectief in de aanpak van pesten. Bij vrijwel alle geïnterviewden komen we dit tegen. Hierin komt de sleutelrol van de leerkracht terug. Daarbij wordt één keer aangegeven dat het van belang is leerkrachten te ondersteunen om competent te zijn. Volgens de helft van de geïnterviewden hebben ouders een belangrijke plek bij het effectief aanpakken van pesten.
 
Preventief niveau
Op preventief niveau wordt vooral sociale veiligheid op het schoolplein als aandachtspunt genoemd. Hier kan concreet gedacht worden aan het inzetten van twee pleinwachten.
Ten slotte noemt een derde van de ondervraagden ZIEN! als instrument dat helpt te monitoren. De items welbevinden en betrokkenheid worden daarvoor gebruikt.
Opvallend is dat een minderheid van de geïnterviewden aangeeft op dit moment een rol te zien voor een antipestcoördinator. Ook signaleren wordt niet vaak genoemd als effectief in de aanpak van pesten.
 
Curatief niveau
Op curatief niveau zien we dat een derde van de geïnterviewden het voeren van kindgesprekken als effectief ervaren. In meerderheid van de gevallen hebben scholen een antipestbeleid of een pestprotocol. Het effect hiervan is volgens een kwart van de geïnterviewden afhankelijk van de attitude van de leerkracht. Verder wordt het pestprotocol vooral gezien als hulpmiddel voor preventief handelen. Het is een hulpmiddel en geen garantie dat het pesten stopt.
 
Sociale veiligheid
Vanuit een eerste onderzoek blijkt dat scholen hun socialeveiligheidsbeleid beoordelen met een 7,4. In de diepte-interviews is hierop doorgevraagd. De helft van de ondervraagden is ervan overtuigd dat de attitude van de leerkracht een van de belangrijkste aspecten is in het vormgeven van sociale veiligheid. Een leerkracht moet ervan overtuigd zijn dat de aanpak van pesten belangrijk is. Verder denkt een kwart van de ondervraagden dat het nodig is om studenten op de pabo beter voor te bereiden op dit thema.
 
Identiteit
Identiteit speelt bij een grote meerderheid van de ondervraagden een belangrijke rol in de aanpak van pesten. Daarbij wordt verwezen naar de Bijbelse opdracht om onze naaste lief te hebben als onszelf. Leerkrachten laten dit vooral in Bijbelverhalen tot uiting komen. Het Bijbelverhaal wordt gebruikt als spiegel. Verder is voor de helft van de leerkrachten het thema in een Bijbelverhaal een aanknopingspunt om het gesprek met kinderen te voeren over het omgaan met de naaste.