De Bijbel als richtsnoer

Als we de verschillende Bijbelverhalen bestuderen, waarin ongewenst gedrag een belangrijke rol speelt, komen we geen eenduidige vorm van aanpak of benadering tegen.

Een tweetal overwegingen hierbij.
  • God gaf zijn wet aan Israël (Deut. 20: 1-17) en het houden van de wet wordt beloond, meldt Ps. 19: 12. Naast de functie van de wet als ‘tuchtmeester tot Christus’ en ‘regel der dankbaarheid voor de gelovige’ is Gods heilzame wet gegeven opdat er recht gedaan wordt tussen mensen onderling. In tal van psalmen roepen de schrijvers (o.a. David, Asaf) om ‘recht’. We hebben blijkbaar leefregels voor dagelijkse omgang nodig, ten aanzien van relaties (mens-mens en mens-God) en bezittingen, om samen op terug te kunnen vallen.Een voorbeeld daarvan staat in Gen. 21, waarin verhaald wordt van Ismaël, die met de kleine Izak ‘spot’. Dat is blijkbaar ‘not done’, Sara wordt daar boos om en dwingt Abraham om Hagar met Ismaël weg te zenden. Niet alleen het rechtvaardigheidsgevoel, maar ook het Bijbelse streven naar recht en gerechtigheid zal voor ons als opvoeders altijd meespelen als we een nare situatie tussen pester(s) en gepeste(n) willen en moeten oplossen.
  • Een geheel andere benadering van situaties waarin gescholden en gepest wordt, komen we tegen in (met name) het Nieuwe Testament. In 1 Petrus 2: 23 getuigt de schrijver van Jezus, dat Hij niet terugschold als hij uitgescholden werd. Hij liet het over aan ‘Hem, die rechtvaardig oordeelt’. Dit heeft vanuit de context toch wat zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe’.Dit krijgt een zeer sterke spits in de verzen daarna, waarin Jezus (vers 43) inleidt met ‘U hebt gehoord dat er gezegd is’ en vervolgens een omgekeerde orde aanreikt: in plaats van de vijand haten, hem liefhebben, in plaats van vervloeken, hem zegenen. Jezus zegt nadrukkelijk dat we degenen die ons haten vooral goed moeten behandelen, dat we voor hen die ons geweldaandoen en ons vervolgen, juist moeten bidden. En dat alles met als doel, dat we ‘kinderen  van onze Vader in de hemel mogen zijn’. Dat maakt nou net het verschil tussen wat iedereen blijkbaar deed en wat een volgeling van Jezus doet. Jezus eindigt zelfs met een oproep om ‘volmaakt’ te zijn, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is. 

Bovenstaande benaderingen lijken wellicht een onoplosbaar dilemma op te leveren in onze aanpak van ‘pesten’. Wat moeten we nu doen? Het recht na streven of het lijden ondergaan? Komen we op voor onze gepeste leerling of zeggen we vergoelijkend ‘dit overkwam de Heere Jezus ook, Hij schold niet terug, dus doe maar niets, wees de minste.’ Om vervolgens het pesten niet aan te pakken en weg te kijken. Dat laatste is iets, dat nogal wat gepeste kinderen op school (hebben) ervaren: ‘de juf, de meester doet er niets aan’, ‘ze zagen het niet’. 

Laten we proberen goed te kijken wat deze twee benaderingen verbindt. Dat afspraken binnen sociale verbanden (‘de wet’) nageleefd moeten worden, staat buiten kijf. God gaf Zelf Zijn wet aan Israël en de volkeren, tot hun heil, hun welzijn. Zowel Oud- als Nieuwtestamentisch is dit accent permanent aanwezig.
In Micha 6:8 (OT) wordt dit kernachtig verwoordt, als de profeet  uitlegt wat ‘goed’ eigenlijk is: recht doen, weldadigheid lief hebben en in alle eenvoud ‘wandelen met uw God’. In Matt. 19: 16,17 (NT) staat – als het ware linea recta in lijn met het OT- het verhaal van de man die naar Jezus toe komt, hem aanspreekt met ‘Goede Meester’ en dan vraagt, wat hij (goed!) moet doen om het eeuwige leven te ontvangen. Het antwoord van Jezus is vermoedelijk wat verrassend voor deze man: Waarom noem je me goed? Er is er maar Een goed, dat is God. Om vervolgens de oproep tot ‘het houden van de geboden’ te beklemtonen, dan zal de man ‘het leven’ in gaan.

Het kan dus niet zo zijn, dat we het gebod tot recht doen laten vervallen tegenover de Bergrede-woorden en de vele verwijzingen verderop in de brieven van Paulus e.a. rondom ‘de minste zijn’. Daar komt bij, dat Jezus’ woorden in de Bergrede (bv. de verzen 43 en 44 van Matth. 5) een directe verbinding hebben met Spr. 24:29, waar we lezen, dat het niet aan gaat, om te zeggen ‘Wat iemand mij aangedaan heeft, zal ik hem ook aandoen’. Het vergeldingsprincipe  (oog om oog en tand om tand) wordt ook hier in Spreuken afgekeurd.

Met name Matt. 5:43 (over je naaste liefhebben en vijand haten) komt zo in een geheel ander daglicht te staan. Het lijkt of Jezus wil zeggen: ‘Hoezo je naaste haten, waar haal je dat vandaan?’ Volgens de kanttekeningen bij dit vers staat er nergens in het OT dat je je vijand moet haten, Jezus corrigeert hier de foute interpretatie.
Niettemin is het een ondoorgrondelijke genade als wij onze vijanden kunnen liefhebben. Onze ‘vijand’ (bv. de pester) zien in het licht van Christus’ genade (ook hij heeft vergeving en liefde van Christus nodig) is in veler ogen iets bovenmenselijks. Maar is dat juist niet de kern van deze houding: zelf zó aangeraakt zijn door het borgwerk van de Heere Jezus, dat we met ontferming bewogen zijn over hen, die de Heere nog niet kennen – of Hem vergeten - en dat zo overduidelijk laten zien in hun pestgedrag? Dan blijkt soms ook het onmogelijke: dat er vergeving is door de gepeste.

Dit betekent, dat we in ons handelen als opvoeders in de school, in de situaties die zich voordoen rondom pesten, ons door twee hoofdmotieven mogen laten leiden. Allereerst zijn we als leidinggevenden ‘overheid’ voor de kinderen,  dat is ‘dienaresse Gods’, wij betrachten recht en gerechtigheid. We treden op waar gepest wordt: we beschermen de gepeste en wijzen de pester in liefde terecht. We streven ook naar verzoening. We kunnen geen vergeving eisen, maar we kunnen het wel ter sprake brengen. ‘En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’ (het volmaakte gebed). Opdat beiden zich bewust worden van de noodzaak om dit soort pestsituaties te vermijden. We verwijzen daarbij – ook naar kinderen – naar situaties in de Bijbel, waarin dit recht tot uiting komt, naar verhalen, waarin het niet gaat zoals God het bedoelde en waarin vervolgens handelend en helend opgetreden wordt. Verhalen waarin God aan het Woord komt en daarin duidelijk wil maken, hoe wij met elkaar om gaan. Jacob en Esau hebben elkaar weer ontmoet, ze gingen verder gescheiden wegen, maar er was een vorm van ‘heling’ tussen hen.

Als tweede laten we niet na, om – in onze lessen Bijbelse Geschiedenis, maar ook daarbuiten -  te wijzen op de woorden van Jezus, Die Zelf geminacht werd, Die – om onzentwille – alle smaadheid en vernedering onderging, opdat Hij ons zou redden van onze zonden. Die ons ook oproept om het recht niet in eigen hand te nemen, maar te bidden voor hen die ons ‘geweld aan doen, die ons vervolgen’ (Matt. 5:44). Zo alleen zijn we (pas) ‘kinderen van de Vader’ (Matt. 5:45). 

In onze gebeden die we in de klas doen, mag regelmatig de onderlinge houding naar elkaar centraal staan: de oproep om hulp om het goede voor elkaar te zoeken, elkaar te helpen en ons steeds af te vragen: ‘Heere, wat wilt U dat wij doen?’ Wanneer één lid – door pesten - lijdt, lijden immers alle leden? Als dat ook doorklinkt, zal het meerdere leerlingen aan het hart gaan als er gepest wordt en leren kinderen ook voor elkaar op te komen.

>> Lees verder 3. Het belang van Bijbelverhalen