De oorsprong van pesten

Wie de verhalen en geschiedenissen uit de Bijbel leest of vertelt, wordt getroffen door de vele conflictsituaties die erin voorkomen. Zodra de goede schepping van God onder invloed komt van de macht van de satan (Genesis 3) zijn de gevolgen niet te overzien, zoals in de eerste broedermoord (Genesis 4).

De Bijbel verhaalt allerlei situaties die – hoe verrassend – verslagen zouden kunnen zijn van gebeurtenissen uit onze 21e eeuw. Men zit elkaar dwars, werkt elkaar tegen, gunt elkaar de ruimte niet. Er is iets compleet kapot, lijkt het wel. En dat is ook zo. We spreken immers van een ‘diepe val in Adam’. We lezen over elkaar buitensluiten, psychisch en fysiek  onheus bejegenen, bespotting, hoon, kleineren en beledigen, agressieve hoogmoed, jaloezie, bedriegen en bedreigen, eigendommen vernielen of stelen, haten en doden.
 
Als Paulus in de brief aan de Romeinen de situatie van de zondige mens sterk analytisch schetst, voor zowel ‘Jood als Griek’, ontdekken we hoe ernstig het met ons gesteld is. In Romeinen 3:10b-18 lezen we dat Paulus vast moet stellen dat niemand rechtvaardig en verstandig is, en dat er niemand is die God echt zoekt. Hij concludeert dat niemand goed doet. Wat er uit zijn mond komt, zo schetst hij, is bedrog en venijn. Paulus hoort vloeken, tieren en bitterheid om zich heen. De mens is zelfs een gevaar voor het leven van z’n naaste; hij is geneigd tot vernielen en narigheid veroorzaken. Hij moet vaststellen dat mensen de weg van de vrede niet kennen en niet weten wat het betekent om eerbied en ontzag te hebben voor God.  
 
De Heidelbergse Catechismus doet daar in Zondag 40 niets aan af. In vraag 105 staat waartoe wij geneigd zijn, hoe de Heere daar grenzen aan wil stellen en hoe we vanuit het zesde gebod opgeroepen worden om geheel ander gedrag te laten zien. De catechismus geeft helder weer dat het bij dit gebod om veel meer gaat dan alleen maar ‘niet doden’. Voor God is er geen verschil tussen de wortel van het kwaad (haat, nijd, boosheid en wraakgevoelens) en de uitwerking daarvan: de doodslag. We worden opgeroepen om noch met woorden, noch met gebaren iemand te onteren, om de ander niet te haten, te kwetsen of te doden.
In vraag 106 worden de tegenhangers van al deze slechte eigenschappen genoemd en worden we opgeroepen tot het liefhebben van onze naaste als onszelf, geduldig en vriendelijk te zijn en elkaar vrede, zachtmoedigheid en  barmhartigheid te bewijzen. Ons leven mag zó zijn, dat we het goede voor elkaar zoeken, zelfs voor onze vijanden.
 
In ons streven naar gerechtigheid, een veilig en eerlijk, open klimaat in de klas, hebben we de taak om kinderen steeds weer te wijzen op deze dingen. We kunnen als opvoeders niet tolereren dat een kind onrecht wordt aangedaan, dat een kind genegeerd wordt of buitengesloten. Dan vraagt een conflictsituatie om onze tussenkomst, bijvoorbeeld een gesprek. De Bijbel mag daarin leidend zijn.

 

>> Lees verder 2. De Bijbel als richtsnoer